het dagboekhoekje
Wilt u reageren op dit bericht? Maak met een paar klikken een account aan of log in om door te gaan.

Belle en het Beest

Ga naar beneden

Belle en het Beest Empty Belle en het Beest

Bericht  liseke vr dec 24, 2010 5:10 am

Er was eens een rijke koopman die zes kinderen had, drie jongens en drie meisjes. Voor de opvoeding van dit zestal spaarde de rijke koopman kosten noch moeite. De drie dochters waren mooi, vooral de jongste. Die was zo knap dat iedereen haar Belle noemde toen ze nog klein was en dat betekent lief en mooi. En omdat ze nog net zo lieftallig was toen ze groot was geworden, noemde nooit iemand haar anders dan Belle.

Haar zusters waren jaloers op de schoonheid van de jongste dochter, die niet alleen mooier was dan haar zusters, maar ook een aardiger karakter had. De oudere zusters waren trots op hun rijkdom en positie. Ze waren hooghartig en wilden niet eens bij andere koopmansdochters op bezoek gaan. "We gaan alleen maar om met deftige mensen," zeiden ze, "die even voornaam zijn als wijzelf."

Vaak gingen ze naar bals en andere feesten en plaagden hun jongste zuster omdat die haar tijd besteedde aan lezen of aan het verrichten van een of ander nuttig werkje. Omdat iedereen wist dat de meisjes een grote bruidsschat zouden krijgen, waren er veel grote kooplieden die met hen wilden trouwen. Maar de oudste twee van de dochters zeiden dat ze er niet aan dachten met iemand te trouwen die minder was dan een hertog.

Ook Belle kreeg veel huwelijksaanzoeken, maar zij antwoordde altijd heel beleefd dat ze vereerd was met het aanzoek, maar dat ze liever nog een paar jaar bij haar vader wilde blijven omdat ze zichzelf nog te jong vond om te trouwen.

Nu gebeurde het dat de koopman door een ongelukkig voorval al zijn geld verloor. Hij had niets meer over dan een huisje op het land en daar moest het gezin nu gaan wonen en met werken in het onderhoud voorzien.

Toen de koopman dit vertelde aan zijn kinderen, zeiden de twee oudste dochters dat ze niet wisten hoe ze moesten werken. "We willen ook niet weg uit de stad," zeiden ze, "en we hebben genoeg aanbidders die ook wel met ons willen trouwen, al zijn we niet rijk meer." Maar daarin vergisten ze zich deerlijk, want toen de aanbidders hoorden wat er gebeurd was, zeiden ze: "Ze zijn altijd zo trots en hooghartig tegen ons geweest, nu kunnen ze opscheppen tegen hun koeien en schapen. Wij hoeven ze niet meer." Maar iedereen had medelijden met de arme Belle, omdat ze altijd zo lief was en zo’n goed karakter had, en er waren heel wat deftige heren die graag met haar wilden trouwen, al bezat ze nu geen stuiver meer. Maar Belle zei dat ze er niet aan moest denken haar vader in de steek te laten nu het hem zo slecht ging.

Eerst moest Belle soms stilletjes huilen om de ontberingen die ze moest verduren, maar al gauw zei ze tegen zichzelf: "Met al dat gehuil schiet ik niets op. Ik moet proberen gelukkig te zijn zonder rijkdom."

Toen ze verhuisd waren naar het huisje op het land, hielden de koopman en zijn drie zoons zich bezig met ploegen en zaaien en met werken in de tuin. Ook Belle deed wat ze kon. Elke morgen stond ze om vier uur op, maakte het vuur aan en veegde de vloer. Daarna zorgde ze voor het ontbijt voor de hele familie. In het begin vond ze dat vele werk moeilijk, maar ze raakte er al spoedig aan gewend en op den duur kostte het haar nauwelijks moeite meer. Dit harde werken maakte haar zelfs nog mooier, en zodra ze ermee klaar was, las ze, maakte muziek of zong terwijl ze spon.

Haar zusters wisten echter niet hoe ze de dag door moesten komen. Ze ontbeten in bed en stonden pas om tien uur op. Meestal gingen ze dan wat wandelen, maar ze waren altijd gauw moe en zochten dan een plekje onder een boom, waar ze gingen zitten treuren om het verlies van hun rijtuig en hun mooie kleren. En als ze dat lang genoeg gedaan hadden, begonnen ze kwaad te spreken over hun jongste zuster. "Wat is ze toch dom," zeiden ze, "en wat heeft ze een simpele geest dat ze tevreden kan zijn met deze nederige manier van leven." Maar hun vader dacht er anders over en hij hield meer dan ooit van zijn jongste kind. Zo ging er een jaar voorbij. Op zekere dag kreeg de koopman een brief waarin stond dat een van zijn rijkste schepen, waarvan hij dacht dat het verloren was gegaan, de haven was binnengelopen. Dit nieuws maakte de oudste twee van de zusters bijna gek van vreugde, omdat ze dachten dat ze nu weer naar de stad zouden terugkeren en al hun mooie spullen terug zouden krijgen.

Toen ze hoorden dat hun vader een reis naar het schip moest maken, zeiden de twee oudste dochters: "O, vader, breng wat nieuwe japonnen en hoeden voor ons mee, want het is erg zoals we nu gekleed gaan." De vader knikte. "En wat sieraden van goud," zei de oudste dochter. "Ja, en zijden pantoffeltjes," zei de tweede. En zo gingen ze nog een tijd door. Maar Belle vroeg niets, want ze dacht bij zichzelf dat haar zusters samen al meer vroegen dan het hele schip waard moest zijn. "Belle," zei de koopman tegen zijn dochter, "waarom vraag jij niets? Wat kan ik voor jou meebrengen?"

"Ach, vader," zei Belle, "ik zou heel blij zijn met een roos, want er groeit er niet één in onze tuin." Eigenlijk wilde Belle geen roos of iets anders hebben, maar ze zei dat maar omdat ze haar zusters niet boos wilde maken. Die zouden dan gezegd hebben dat ze niets^vilde hebben opdat haar vader haar daarom zou prijzen. De koopman nam afscheid van zijn kinderen en ging op reis. Maar toen hij bij het schip kwam, werd hem een proces aangedaan over de lading en na veel moeilijkheden en een oponthoud van een paar maanden keerde hij terug naar huis, even arm als tevoren.

Toen hij zijn huis op dertig mijl afstand genaderd was, dacht hij aan de geschenken die hij beloofd had te zullen meebrengen, vooral aan de roos voor Belle die hij nergens voor haar had kunnen vinden, want het was inmiddels winter geworden.

En hoewel hij zich op het weerzien verheugde, vond hij dit heel verdrietig. Het regende en daarna begon het te sneeuwen en in de sneeuwstorm raakte hij de weg kwijt. De avond viel en hij was bang dat hij van kou en honger om zou komen of dat de wolven hem zouden verscheuren. Maar toen kwam hij bij een lange laan en aan het einde daarvan zag hij een licht schijnen. Hij ging erop af en kwam bij een prachtig paleis waarvan de ramen helder verlicht waren. De hoge hekken van brons stonden wijd open en de koopman kon ongemoeid naar binnen gaan. Hij liep over een prachtige binnenplaats, maar er was geen sterveling te bekennen. Ook kwam hij langs stallen, waar zijn arme, uitgehongerde paard onmiddellijk binnenstapte en een goed maaltje vond van haver en hooi.

Zijn meester bond hem daar vast en liep door naar de hoofdingang van het paleis, zonder iemand te zien. Hij ging naar binnen en kwam in een grote eetzaal, waar een vuur brandde in de haard en een tafel klaarstond met een groot aantal zeer smakelijke gerechten erop, maar er was gedekt voor maar één persoon. Door de sneeuw en de regen was de koopman erg nat geworden. Vlug liep hij naar het vuur om zich te warmen.

"Ik hoop dat de heer des huizes of zijn dienaren het mij niet kwalijk nemen," zei hij zachtjes in zichzelf. "Er zal zo wel iemand komen." Hij wachtte een tijd, maar er kwam niemand opdagen. Ten slotte sloeg de klok elf uur. De koopman, verzwakt door gebrek aan voedsel, nam een kippetje en dronk een paar glazen wijn, maar hij beefde van angst. Hij ging zitten en toen de klok twaalf sloeg, verzamelde hij zijn moed en bedacht dat hij eens rond kon kijken in het paleis. Hij opende een deur aan het einde van de zaal en kwam in een grote kamer waarin een prachtig bed stond, en omdat hij erg moe was sloot hij de deur, kleedde zich uit en stapte in het bed.

Het was tien uur in de ochtend voor hij wakker werd. Tot zijn verbazing zag hij dat er een nieuw stel kleren voor hem was klaargelegd in plaats van zijn eigen kleren, die vuil en gescheurd waren. Dit moet het huis van een goede fee zijn, dacht hij. Ze heeft medelijden gekregen met mijn tegenslag.

Hij keek uit het raam en was verbaasd te ontdekken dat de bomen rond het paleis groene bladeren hadden en dat in de tuinen de mooiste zomerbloemen bloeiden in een stralende zonneschijn, terwijl hij heel in de verte de met sneeuw bedekte heuvels kon zien en het winterse woud waarin hij de avond tevoren was verdwaald.

Hij keerde terug naar de zaal waar hij ‘s avonds gegeten had en zag dat er nu een ontbijttafel gedekt stond. "Ik ben u zeer dankbaar, goede fee," zei de koopman hardop. Het ontbijt smaakte hem goed en toen hij genoeg gegeten had ging hij naar de stal om naar zijn paard te kijken. Toen hij langs een rozenboom liep, dacht hij eraan dat Belle hem had gevraagd een roos voor haar mee naar huis te brengen en dus plukte hij een bosje voor haar om mee naar huis te nemen. Terwijl hij dit deed hoorde hij echter een gedruis. Hij keek om en zag een monster op zich afkomen dat er zo angstaanjagend uitzag dat hij bijna flauwviel van de schrik.

"Ondankbare man," zei het Beest met een verschrikkelijke stem. "Ik heb je leven gered door je toe te laten in mijn paleis en als dank steel je mijn rozen, die mij meer waard zijn dan alles wat ik bezit. Maar je zult boeten voor deze daad. Binnen een kwartier zul je sterven."

De koopman viel op zijn knieën en zei smekend: "Edele heer, ik vraag u om vergiffenis. Ik wist niet dat ik u zou beledigen als ik een roos meenam voor een van mijn dochters. Dood mij niet, edele heer."

"Ik ben geen heer, maar een Beest," antwoordde het monster. Ik hou niet van valse complimenten, dus denk niet datje mij op deze manier kunt ompraten. Je hebt dochters, zegje? Welnu, als een van hen hier komt om in jouw plaats te sterven ben je gered. Zo niet, beloof me dan datje over drie maanden terugkeert, dan kan ik met je doen wat ik wil."

De koopman dacht er niet aan een van zijn dochters in zijn plaats te laten sterven, maar hij wist dat, als hij schijnbaar het voorstel van het Beest aannam, hij in elk geval het genoegen zou smaken hen nog eens te zien. "Hij gaf zijn belofte en kon vertrekken.

"Maar je moet niet met lege handen teruggaan," zei het Beest. "Ga naar de kamer waarin je geslapen hebt. Daar vind je een kist die je moet vullen met watje het liefste hebt. Ik zal zorgen dat hij naar je huis wordt gebracht."

Toen het Beest dit gezegd had, was het verdwenen. De goede koopman bedacht nu dat, aangezien hij toch moest sterven - hij dacht er niet aan zijn belofte te breken, zelfs niet tegenover een Beest - hij zijn kinderen evengoed verzorgd kon achterlaten. Dus ging hij naar de kamer waarin hij geslapen had en vond daar bergen goudstukken die overal verspreid lagen. Hij vulde de kist tot de rand toe, deed hem op slot, besteeg zijn paard en verliet het paleis en de tuin vol bloemen even treurig als hij blij was geweest toen hij ze ontdekte.

Het paard zocht zelf zijn weg door het besneeuwde woud en na een paar uur kwamen ze bij het huis van de koopman. Zijn kinderen kwamen hem tegemoet gesneld om hem te begroeten. Hij kuste hen niet en toen hij naar hen keek stroomden de tranen langs zijn wangen. Hij hield de bos rozen in zijn hand en toen hij die aan Belle gaf, zei hij: "Hier zijn je rozen, Belle, maar ik heb ze duur moeten betalen." Toen vertelde hij wat er gebeurd was in het paleis van het Beest.

De twee oudste zusters begonnen hard te huilen en gaven Belle de schuld, "want," zeiden ze, "zij is de oorzaak van vaders dood. Waarom heeft ze niet om zulke dingen gevraagd als waar wij om vroegen? Maar nee, dat vervelende schepsel moest iets heel bijzonders hebben. En hoewel vader om haar rozen dood zal moeten gaan, laat ze er geen traan om."

"Dat hoeft ook niet," zei Belle, "want vader zal niet sterven. Het Beest wil in zijn plaats een van zijn dochters aanvaarden en daarom zal ik mijzelf aanbieden en gelukkig zijn dat ik op die manier mijn liefde voor de beste van alle vaders kan bewijzen."

"Nee zuster," zeiden de drie broers in koor, "dat gebeurt niet. Wij zoeken het monster op en hij of wij zullen sterven."

"Je kunt hem heus niet doden," zei de koopman. "Hij is veel te machtig. Maar Belle’s jonge leven zal niet geofferd worden. Ik ben oud en zal niet veel langer meer leven, dus zal ik maar een paarjaar van mijn leven moeten opgeven. Ik ben alleen bedroefd omwille van mijn kinderen."

"Nee, vader," zei Belle. "Als u naar het paleis teruggaat, ga ik met u mee. Hoewel ik nog jong ben, ben ik niet zo gehecht aan het leven en ik wil liever door het monster opgegeten worden dan sterven van verdriet omdat ik u verlies."

De koopman trachtte tevergeefs Belle van gedachten te doen veranderen, maar ze bleef bij haar besluit en om de waarheid te zeggen: haar jaloerse zusters waren daar erg blij om.

De koopman was zo bedroefd bij de gedachte dat hij zijn kind zou verliezen dat hij niet dacht aan de kist met goudstukken. ‘s Avonds vond hij die echter tot zijn grote verrassing naast zijn bed. Hij zei niets over zijn rijkdom tegen zijn oudste dochters, omdat hij wist dat ze dan meteen naar de stad zouden willen terugkeren, maar hij vertelde zijn geheim wel aan Belle. Ze zei tegen hem dat er - terwijl hij weg was - twee heren op bezoek waren geweest die verliefd waren geworden op haar twee zusters en ze smeekte haar vader hen zonder uitstel te laten trouwen, want omdat ze zo’n lief en zacht karakter had, wilde ze hen alleen maar gelukkig zien.

De drie maanden gingen veel te vlug voorbij en op zekere dag maakten de koopman en zijn dochter Belle zich klaar voor de reis naar het paleis van het Beest. De beide zusters wreven hun ogen met een ui, waardoor ze zo traanden dat het leek of ze huilden, maar de koopman en zijn zoons huilden werkelijk. Alleen Belle’s ogen bleven droog.

Binnen enkele uren waren ze bij het paleis. Het paard liep uit zichzelf naar de stallen. De koopman en Belle gingen naar de grote zaal, waar de tafel overladen was met de heerlijkste spijzen. Er was voor twee personen gedekt. De koopman had heel weinig eetlust, maar Belle ging aan tafel zitten en bediende haar vader. Toen begon ze zelf te eten, hoewel ze wist dat het Beest dit kostelijke maal alleen maar bereid had om haar dikker te maken voordat het haar opat.

Toen ze klaar waren met eten hoorden ze een luid geruis. De koopman wilde afscheid nemen van zijn dochter, omdat hij wist dat het het Beest was dat naar hen toekwam. Toen Belle het vreselijke gedrocht voor het eerst zag, was ze erg bang, maar ze probeerde haar angst te verbergen. Het Beest liep naar haar toe, bekeek haar van top tot teen en vroeg haar toen met zijn verschrikkelijke stem of ze uit vrije wil was gekomen. "Ja," zei Belle. "Dan ben je een goed meisje en ik ben je dankbaar."

Dit was zo’n vriendelijk antwoord, dat Belle moed kreeg, maar dat beetje moed verdween weer toen het Beest zich tot de koopman wendde en tegen hem zei dat hij het paleis de volgende ochtend moest verlaten en er nooit meer terug mocht keren. "Goedenacht, koopman. Goedenacht, Belle," zei het Beest. "Goedenacht, Beest," zei Belle terwijl het monster de kamer uitschuifelde. "Ach, mijn lieve kind," zei de koopman terwijl hij zijn dochter kuste. "Ik ga al halfdood bij de gedachte dat ik je hier bij dat vreselijke Beest moet achterlaten. Je moet teruggaan, laat mij blijven in jouw plaats." "Nee," zei Belle dapper. "Dat wil ik niet. U moet morgenochtend naar huis gaan."

Ze wensten elkaar goedenacht en gingen naar bed, hoewel ze allebei dachten geen oog dicht te zullen doen, maar ze vielen onmiddellijk in een diepe slaap en werden niet wakker voor de volgende morgen.

Belle droomde dat er een vrouw naar haar toekwam die zei: "Ik ben erg blij, Belle, dat je je leven wilt geven om dat van je vader te redden. Wees niet bevreesd, je zult beloond worden."

Zodra Belle wakker werd, vertelde ze de droom aan haar vader, maar hoewel dit hem enigszins troostte, duurde het lang voor hij ertoe kon komen het paleis te verlaten.

Belle hield zich goed tot haar vader uit het zicht verdwenen was. Toen begon ze bedroefd te huilen, maar omdat ze van nature dapper was, besloot ze spoedig dat het beter was zich in haar lot te schikken, omdat nutteloos verdriet het alleen maar nog erger zou maken. Ze moest afwachten en haar geduld bewaren.

Ze liep door de kamers en zalen van het paleis en was verbaasd over al het moois dat ze zag. Maar hoe groot was haar verrassing toen ze bij een deur kwam waarop geschreven stond: Belle’s kamer. Ze opende de deur en stond in een ruimte die prachtig was ingericht. Ze keek vol verwondering naar de enorme boekenkast vol boeken en naar een klavecimbel met verscheidene muziekstukken. "Het Beest is zeker niet van plan mij onmiddellijk op te eten," zei ze, "want hij geeft me dingen waarmee ik me kan vermaken." Ze opende de boekenkast en zag op de rug van een van de boeken deze regels in goud geschreven staan:

"Geen reden nu voor angst of vrees Droog uw tranen, Schone Dame Wat Gij verlangt dat zal geschieden Gij zijt het die hier zal gebieden!"

"Ach," zei ze met een zucht, "ik wilde dat ik even kon zien wat mijn vader op dit ogenblik aan het doen is." Terwijl ze dit zei, keek ze toevallig in een spiegel die dicht bij haar stond en daarin zag ze nu een beeld van haar vaders huis en van haar vader die te paard naar zijn huis toe reed. Haar zusters kwamen naar buiten om hem te begroeten en hoewel ze hun best deden droevig te kijken, was het duidelijk te zien dat ze in hun hart eigenlijk blij waren. Na korte tijd verdween het beeld weer en Belle bedacht nu dat het Beest behalve erg machtig, ook goedhartig moest zijn.

Belle en het BeestRond het middaguur vond ze een tafel gedekt. Terwijl ze zat te eten werd er zachte muziek gespeeld, hoewel ze niemand zag. Bij het avondmaal echter - juist toen ze aan tafel wilde gaan zitten - hoorde ze het gedruis van het Beest en ze begon te beven van angst. "Belle," zei het Beest, "mag ik toekijken terwijl je eet?" "Als je dat zo graag wilt," antwoordde ze doodsbang. "Nee, nee," zei het Beest. "Jij bent de enige die hier beveelt. Als je niet gesteld bent op mijn gezelschap, ga ik weg. Maar zeg eens, Belle, vind je me erg lelijk?" "Ja," zei Belle. "Ik kan geen onwaarheid spreken. Je bent lelijk, maar ik geloof dat je wel aardig bent." "Ja? Nou, behalve dat ik lelijk ben, ben ik ook erg dom. Ik ben maar een beest en dat weet ik heel goed." "Maar domme mensen weten nooit dat ze dom zijn," zei Belle. Bij deze vriendelijke woorden keek het Beest heel blij.

"Laat mij je niet van je maaltijd afhouden," zei hij vriendelijk, "en bedien je goed. Alles wat je ziet is van jou en ik zou het betreuren als het je aan iets ontbrak." "Je bent erg vriendelijk, zo vriendelijk dat ik bijna zou vergeten datje zo lelijk bent," zei Belle ernstig. "Ach," zei het Beest met een diepe zucht. "Ik hoop dat ik een goed karakter heb, maar toch ben ik alleen maar een monster."

"Er is menig monster dat de gedaante van een mens heeft," zei Belle, "en het is beter er als een monster uit te zien, maar het hart te hebben van een mens." "Ik wil je graag bedanken voor die woorden, Belle, maar ik ben te dom om iets te bedenken dat jij mooi zou vinden," zei het Beest bedroefd. Alles bij elkaar scheen hij zo vriendelijk en zo ongelukkig dat Belle haar angst voor hem langzamerhand voelde verdwijnen.

Met smaak at ze haar avondmaal en praatte tegen het monster op haar verstandige en tegelijkertijd bekoorlijke manier. Maar toen het Beest ten slotte opstond om weg te gaan, liet hij haar erger dan tevoren schrikken door plotseling op barse toon te vragen: "Belle, wil je met me trouwen?"

Nu had Belle’s vader haar verteld dat het Beest de waarheid wilde horen en niets anders, dus zei ze - hoe geschrokken ze ook was - op besliste toon: "Nee, Beest." Het Beest zuchtte diep en vertrok. Toen Belle weer alleen was, begon ze medelijden te krijgen met het arme Beest. "Ach," zuchtte ze, "wat erg dat hij zo afschrikwekkend is, terwijl hij toch zo’n goed hart heeft."

Belle woonde drie maanden in het paleis en had het zeer naar haar zin. Het Beest kwam haar elke avond opzoeken en praatte met haar terwijl ze at. En hoewel wat hij zei niet erg slim was, ontdekte ze toch iedere dag weer een nieuw goed trekje in hem. En in plaats van tegen zijn komst op te zien, begon ze juist op haar klokje te kijken om te zien of het al negen uur was, want dat was de tijd waarop hij haar kwam bezoeken. Eén ding echter kwelde haar. Hij maakte er een gewoonte van haar elke avond voordat hij wegging te vragen of ze met hem wilde trouwen. En hij leek elke keer erg teleurgesteld als ze "Nee, Beest" zei.

Ten slotte zei ze op een avond tegen hem: "Het doet me pijn, Beest, dat je me dwingt je steeds weer af te wijzen. Ik zou wel willen dat ik je zo graag zou gaan mogen dat ik met je wilde trouwen, maar ik moet j e eerlijk zeggen dat ik niet geloof dat dat ooit zal gebeuren. Maar vrienden zullen we altijd zijn. Probeer daar dan tevreden mee te zijn."
"Dat zal ik wel moeten," zei het Beest met een zucht. "Ik weet wel hoe afschrikwekkend ik ben. Maar ik hou meer van jou dan van mijzelf. Ik ben blij dat je het prettig vindt om bij me te blijven. Beloof me datje me nooit in de steek zult laten, Belle."

Belle zou hier bijna in toegestemd hebben, zo speet het haar voor het Beest, maar ze had die dag toevallig weer eens in de toverspiegel gekeken en gezien hoe haar vader langzaam wegkwijnde van verdriet. "Ach," zei ze, "ik verlang er zo naar mijn vader terug te zien dat mijn hart zal breken als je me geen toestemming geeft hem te bezoeken." "Ik zou nog liever mijn eigen hart breken, Belle," zei het Beest. "Je krijgt mijn toestemming. Je mag teruggaan naar je vader en het arme Beest zal sterven van verdriet." "Nee," zei Belle huilend. "Ik hou te veel van je om de oorzaak van je dood te zijn. Ik zal binnen een week terugkeren, dat beloof ik je. Je hebt me in de spiegel laten zien dat mijn zusters getrouwd en mijn broers als soldaten weggetrokken zijn, zodat mijn vader alleen is achtergebleven. Laat mij een week bij hem blijven."

"Als je morgenochtend wakker wordt, zul je bij hem zijn," antwoordde het Beest. "Maar denk eraan, vergeet je belofte niet. Als je wilt terugkomen hoefje alleen maar je ring op een tafel te leggen wanneer je naar bed gaat. Dag, Belle." Het Beest zuchtte bij deze woorden en Belle ging slapen, verdrietig omdat het Beest verdrietig was.

Toen zé de volgende morgen wakker werd, ontdekte ze dat ze in het huis van haar vader was. Ze drukte op een bel naast haar bed en er kwam een dienstmeisje binnen. Zodra ze Belle echter zag, slaakte het meisje een luide gil. De koopman kwam naar boven gesneld en toen hij zijn dochter zag, liep hij naar haar toe en kuste haar wel honderd maal. Toen bedacht Belle dat ze geen kleren had meegebracht, maar het dienstmeisje zei dat ze in de andere kamer een koffer vol japonnen had ontdekt, allemaal afgezet met gouddraad en versierd met kostbare edelstenen.

In stilte bedankte Belle het Beest en trok de eenvoudigste jurk aan die erbij was. "Doe de andere japonnen maar weer in de koffer," zei ze tegen het dienstmeisje. "Die zal ik aan mijn zusters geven. Ze zullen er zeker blij mee zijn." Nauwelijks had ze dat gezegd of de koffer verdween. "Het Beest wil waarschijnlijk dat je ze voor jezelf houdt," zei haar vader en op dat ogenblik stond de koffer weer op dezelfde plaats.

Terwijl Belle zich aankleedde werd er een boodschap naar de twee zusters gestuurd om hen met hun echtgenoten uit te nodigen voor een bezoek. Nu hadden de zusters het niet zo goed getroffen met hun echtgenoten. De man van de oudste zuster was knap om te zien, maar hij was zo ijdel dat hij van de vroege morgen tot de late avond alleen maar aan zichzelf dacht en zich niets van zijn vrouw aantrok.

De man van de tweede zuster was erg geleerd, maar helaas gebruikte hij zijn goede verstand alleen maar om te bedenken hoe hij zijn vrienden en vooral zijn vrouw kon ergeren en beledigen.

De twee zusters barstten bijna van nijd toen ze Belle zagen, die er uitzag als een prinses. En hoe vriendelijk Belle hen ook toesprak, het maakte hen niet milder. Toen ze hun vertelde hoe gelukkig ze leefde in het paleis van het Beest werden ze nog afgunstiger. Samen liepen ze de tuin in. "Waarom zou zij het beter moeten hebben dan wij?" zeiden ze. "Wij zijn toch veel mooier dan zij?"

"Zuster," zei de oudste. "Ik bedenk opeens iets. Het Beest heeft haar maar een week verlof gegeven. Laten wij proberen haar langer hier te houden, dan zal hij zo boos zijn als ze terugkomt, dat hij haar misschien meteen zal opeten." "Dat is een goed idee," antwoordde de andere zuster. "Maar dan moeten we heel aardig tegen haar doen." Ze gingen weer naar binnen en speelden de komedie zo goed dat Belle tranen in haar ogen kreeg van blijdschap.

Toen de week voorbij was, wendden de zusters zoveel verdriet voor bij de gedachte aan haar vertrek, dat ze erin toestemde nog een week te blijven. Maar al die tijd was Belle bezorgd om het Beest en dacht ze aan het verdriet dat ze hem bezorgde omdat ze langer wegbleef, want ze koesterde tedere gevoelens voor hem en verlangde weer naar zijn gezelschap. Tussen alle mooie en verstandige mensen die ze ontmoette, ontdekte ze niemand die zo gevoelig, zo hartelijk, zo lief en zo vriendelijk was als het Beest.

De tiende nacht van haar verblijf in het huis van haar vader droomde ze dat ze in de paleistuin liep en het Beest stervend op het grasveld zag liggen. Met zijn laatste adem herinnerde hij haar aan haar belofte en hij weet zijn dood aan het feit dat zij hem vergeten was.

Belle werd hevig geschrokken wakker en barstte in tranen uit. "Wat ben ik gemeen," zei ze, "wat ben ik slecht om me zo te gedragen tegenover het Beest, dat zo goed en zo vriendelijk tegen mij is geweest. Ik weet zeker dat ik met hem gelukkiger zal zijn dan mijn zusters met hun echtgenoten. Hij hoeft zich niet langer wanhopig te voelen, want dat zou ik mezelf de rest van mijn leven verwijten."

Belle stond op en legde haar ring op de tafel. Ze stapte weer in bed en viel spoedig in een diepe slaap, ‘s Morgens ontdekte ze tot haar grote blijdschap dat ze weer in het paleis van het Beest was. Ze kleedde zich op haar mooist om hem beter te behagen en nog nooit had een dag zo lang geduurd. Eindelijk sloeg de klok negen uur, maar het Beest kwam niet. Belle snelde van de ene kamer naar de andere, almaar roepend: "Beest, lief Beest!" maar ze kreeg geen antwoord. Plotseling herinnerde ze zich haar droom en ze spoedde zich naar het grasveld. En daar zag ze het Beest liggen, naast de fontein. Was het al dood?

Belle en het BeestZe vergat hoe lelijk hij was, knielde bij hem neer en merkte dat zijn hart nog klopte. Vlug sprenkelde ze wat water uit de fontein over hem heen en snikte alsof haar hart zou breken. Het Beest deed zijn ogen open. "Je vergat je belofte, Belle, en zonder jou kan ik niet leven. Ik heb niets meer gegeten of gedronken, maar nu ik je gezicht nog eenmaal heb gezien, kan ik rustig sterven." "Nee, lief Beest," zei Belle huilend. "Je zult niet sterven, je zult leven en mijn echtgenoot zijn. Ik dacht dat ik alleen maar vriendschap voor je voelde, maar ik weet nu dat het liefde is."

Toen Belle die woorden uitgesproken had, leek het paleis plotseling in een felle gloed te staan en het was alsof er overal vreugdekreten klonken. Belle merkte daar echter niets van, want ze had zich teder over het Beest gebogen. Toen sloeg ze haar handen voor haar gezicht en huilde van geluk. Toen ze weer opkeek, was het Beest verdwenen. In zijn plaats zag ze een mooie prins, die haar in de tederste bewoordingen bedankte omdat ze hem uit zijn betovering verlost had. "Maar waar is mijn arme Beest? Ik wil alleen hem en niemand anders," snikte Belle. "Ik ben het Beest," antwoordde de prins. "Een boze fee heeft mij betoverd en verbood mij te tonen wat ik bezat aan verstand tot een meisje erin zou toestemmen met mij te trouwen. Alleen jij, liefste Belle, beoordeelde mij niet naar mijn uiterlijk of naar mijn verstand, maar alleen naar mijn hart. Daarom geef ik je mijn hart en alles wat ik verder bezit."

Belle was heel verbaasd, maar ook heel gelukkig. Ze gingen samen het paleis binnen waar ze haar vader en haar zusters vond, die daarheen waren gebracht door de goede fee die ze de eerste nacht in haar droom had gezien. "Belle," zei de fee, "je hebt de goede keuze gemaakt en zult beloond worden, want een trouw hart is meer waard dan een mooi gezicht of een goed verstand.

En wat jullie betreft - ze wendde zich tot de twee zusters - "ik ken al jullie slechte daden en ik heb geen zwaardere straf voor jullie dan dat ik jullie laat toezien hoe gelukkig je zuster is. Daarom zal ik jullie veranderen in standbeelden en jullie zullen bij de poort van haar paleis staan tot je berouw krijgt en je fouten erkent. Dan zal ik jullie weer in vrouwen veranderen."

Maar of de zusters nog steeds standbeelden zijn of weer vrouwen zijn geworden, weet eigenlijk niemand!
liseke
liseke
beheerder
beheerder

Aantal berichten : 536
Registratiedatum : 17-12-10

https://thedairy.actieforum.com

Terug naar boven Ga naar beneden

Terug naar boven


 
Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum